Informasie oor die woord trouwen (Nederlands → Esperanto: geedziĝi)

Sinonieme: in het huwelijk treden, huwen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈtrʌʊ̯ʋə(n)/
Afbrekingtrou·wen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) trouw(ik) trouwde
(jij) trouwt(jij) trouwde
(hij) trouwt(hij) trouwde
(wij) trouwen(wij) trouwden
(jullie) trouwen(jullie) trouwden
(gij) trouwt(gij) trouwdet
(zij) trouwen(zij) trouwden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) trouwe(dat ik) trouwde
(dat jij) trouwe(dat jij) trouwde
(dat hij) trouwe(dat hij) trouwde
(dat wij) trouwen(dat wij) trouwden
(dat jullie) trouwen(dat jullie) trouwden
(dat gij) trouwet(dat gij) trouwdet
(dat zij) trouwen(dat zij) trouwden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
trouwtrouwt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
trouwend, trouwende(zijn) getrouwd

Voorbeelde van gebruik

We trouwden toen ik twintig was en seks was altijd iets heerlijks tussen ons.
Het aantal Chinezen dat trouwt is opnieuw fors afgenomen.
Dat hoort zo, en dat heb je beloofd toen we trouwden.

Vertalinge

Deensgifte sig
Duitssich trauen lassen
Engelsget married; marry; wed
Esperantogeedziĝi
Fransmarier
Italiaanssposare; sposarsi
Luxemburgssech bestueden
Papiamentskasa
Portugeescasarem‐se
Spaanscasarse
Tagalogikasál; mákasál; mápakasál
Thaiแต่งงาน
Yslandsgifta sig