Sinonieme: aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, verlopen, ten einde lopen
Vervoeging
| Aantonende wys |
|---|
| Teenwoordige tyd | Verlede tyd |
|---|
| (ik) raak uit | (ik) raakte uit |
| (jij) raakt uit | (jij) raakte uit |
| (hij) raakt uit | (hij) raakte uit |
| (wij) raken uit | (wij) raakten uit |
| (jullie) raken uit | (jullie) raakten uit |
| (gij) raakt uit | (gij) raaktet uit |
| (zij) raken uit | (zij) raakten uit |
| Aanvoegende wys |
|---|
| Teenwoordige tyd | Verlede tyd |
|---|
| (dat ik) uitrake | (dat ik) uitraakte |
| (dat jij) uitrake | (dat jij) uitraakte |
| (dat hij) uitrake | (dat hij) uitraakte |
| (dat wij) uitraken | (dat wij) uitraakten |
| (dat jullie) uitraken | (dat jullie) uitraakten |
| (dat gij) uitraket | (dat gij) uitraaktet |
| (dat zij) uitraken | (dat zij) uitraakten |
| Deelwoorde |
|---|
| Teenwoordige deelwoord | Verlede deelwoord |
|---|
| uitrakend, uitrakende | (zijn) uitraakte |