Informasie oor die woord splijten (Nederlands → Esperanto: fendi)

Sinonieme: klieven, doorklieven, kloven

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsplɛɪ̯tə(n)/
Afbrekingsplij·ten

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) splijt(ik) spleet
(jij) splijt(jij) spleet
(hij) splijt(hij) spleet
(wij) splijten(wij) spleten
(jullie) splijten(jullie) spleten
(gij) splijt(gij) spleet
(zij) splijten(zij) spleten
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) splijte(dat ik) splete
(dat jij) splijte(dat jij) splete
(dat hij) splijte(dat hij) splete
(dat wij) splijten(dat wij) spleten
(dat jullie) splijten(dat jullie) spleten
(dat gij) splijtet(dat gij) spletet
(dat zij) splijten(dat zij) spleten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
splijtsplijt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
splijtend, splijtende(hebben) gespleten

Voorbeelde van gebruik

Het hout is licht en kan goed gespleten worden.
Voordat hij echter kon toeslaan, zwiepte het grote zwaard van de koning naar beneden en spleet ’s mans helm en schedel.
Aangezien Gandalfs hoofd nu heilig is, moeten we er een zoeken dat we wel mogen splijten.

Vertalinge

Deensspalte
Duitsspalten; zerspalten; durchschneiden
Engelssplit; cleave; rend
Engels (Ou Engels)cleofan
Esperantofendi
Faroëesklúgva
Fransfendre
Friesspjalte; splite
Italiaansfendere
Jiddishשפּאַלטן
Katalaansclivellar; esberlar; esqueixar; esquerdar; estellar; fendir
Portugeesfender; partir; rachar
Saterfrieskleeuwe; sköäre
Spaanshender; rajar
Sweedsklyva
Thaiผ่า
Tsjeggiesrozštípnout; rozštěpit; štípat