Informasie oor die woord optellen (Nederlands → Esperanto: adicii)

Sinonieme: bijtellen, adderen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔptɛlə(n)/
Afbrekingop·tel·len

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) tel op(ik) telde op
(jij) telt op(jij) telde op
(hij) telt op(hij) telde op
(wij) tellen op(wij) telden op
(jullie) tellen op(jullie) telden op
(gij) telt op(gij) teldet op
(zij) tellen op(zij) telden op
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) optelle(dat ik) optelde
(dat jij) optelle(dat jij) optelde
(dat hij) optelle(dat hij) optelde
(dat wij) optellen(dat wij) optelden
(dat jullie) optellen(dat jullie) optelden
(dat gij) optellet(dat gij) opteldet
(dat zij) optellen(dat zij) optelden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
tel optelt op
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
optellend, optellende(hebben) opgeteld

Voorbeelde van gebruik

Maar gezien de dreiging vanuit Rusland, en daarbij opgeteld het reële risico dat dat de Amerikanen hun handen van Europa aftrekken, is de haast groot en wordt wat eerst onmogelijk was nu misschien toch mogelijk.

Vertalinge

Albaniesshtoj
Deensaddere
Duitsaddieren; hinzurechnen; hinzufügen; hinzuzählen
Engelsadd; add up; cast up; tot up
Esperantoadicii; aldoni
Faroëestelja saman; leggja saman
Finslaskea yhteen
Fransadditionner
Grieksαθροίζω
Hongaarsösszead
Italiaansaddizionre
Katalaanssumar; addicionar
Latynaddere
Maleismenambah; tambah
Poolsdodawać
Portugeesadicionar; somar
Saterfriesaddierje; bietoureekenje
Spaanssumar
Sweedsaddera; summera
Thaiบวก