Informasie oor die woord maken (Nederlands → Esperanto: estigi)

Sinonieme: doen ontstaan, formeren, ontwikkelen, opleveren, instellen, opwekken, in het leven roepen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈmakə(n)/
Afbrekingma·ken

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) maak(ik) maakte
(jij) maakt(jij) maakte
(hij) maakt(hij) maakte
(wij) maken(wij) maakten
(jullie) maken(jullie) maakten
(gij) maakt(gij) maaktet
(zij) maken(zij) maakten
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) make(dat ik) maakte
(dat jij) make(dat jij) maakte
(dat hij) make(dat hij) maakte
(dat wij) maken(dat wij) maakten
(dat jullie) maken(dat jullie) maakten
(dat gij) maket(dat gij) maaktet
(dat zij) maken(dat zij) maakten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maakmaakt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
makend, makende(hebben) gemaakt

Voorbeelde van gebruik

Ik maakte geen vuur.
Een vroege warme dag maakt nog geen mooie zomer.

Vertalinge

Afrikaansop die been bring; in die lewe roep; instel
Duitshervorbringen; entstehen lassen; erzeugen; schaffen; hervorrufen; verursachen; zur Folge haben; machen; gestalten
Engelscreate
Esperantoestigi
Fransentraîner des conséquences
Friesmeitsje; ynstelle
Katalaansinstituir; ocasionar
Nederduitsinstellen
Portugeesengendrar; estabelecer; provocar; pruzir
Saterfriesäntwikkelje