Informasie oor die woord uitspoelen (Nederlands → Esperanto: ellavi)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) spoel uit(ik) spoelde uit
(jij) spoelt uit(jij) spoelde uit
(hij) spoelt uit(hij) spoelde uit
(wij) spoelen uit(wij) spoelden uit
(jullie) spoelen uit(jullie) spoelden uit
(gij) spoelt uit(gij) spoeldet uit
(zij) spoelen uit(zij) spoelden uit
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) uitspoele(dat ik) uitspoelde
(dat jij) uitspoele(dat jij) uitspoelde
(dat hij) uitspoele(dat hij) uitspoelde
(dat wij) uitspoelen(dat wij) uitspoelden
(dat jullie) uitspoelen(dat jullie) uitspoelden
(dat gij) uitspoelet(dat gij) uitspoeldet
(dat zij) uitspoelen(dat zij) uitspoelden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
spoel uitspoelt uit
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
uitspoelend, uitspoelende(hebben) uitgespoeld

Vertalinge

Esperantoellavi
Fransrincer