Informasie oor die woord branche (Nederlands → Esperanto: branĉo)

Sinoniem: tak

Woordsoortselfstandige naamwoord
Uitspraak/brɑ̃sj/
Afbrekingbranche
Geslaghistories vroulik, teënwoordig ook manlik
Meervoudbranches

Voorbeelde van gebruik

De branche roept het kabinet op om volgend jaar ook geen naheffingen uit te delen en toe te staan dat ZZP’ers nog wel bij ziekte en drukte mogen worden ingezet.

Vertalinge

DuitsBranche; Fach
Esperantobranĉo
Faroëesgrein
Spaansrama