Informasie oor die woord rijden (Nederlands → Esperanto: veturigi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛɪ̯jə(n)/
Afbrekingrij·den

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) rij, rijd(ik) reed
(jij) rijdt(jij) reed
(hij) rijdt(hij) reed
(wij) rijden(wij) reden
(jullie) rijden(jullie) reden
(gij) rijdt(gij) reedt
(zij) rijden(zij) reden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) rijde(dat ik) rede
(dat jij) rijde(dat jij) rede
(dat hij) rijde(dat hij) rede
(dat wij) rijden(dat wij) reden
(dat jullie) rijden(dat jullie) reden
(dat gij) rijdet(dat gij) redet
(dat zij) rijden(dat zij) reden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
rij, rijdrijdt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
rijdend, rijdende(hebben/zijn) gereden

Voorbeelde van gebruik

Hij at, en reed toen om even voor negen uur naar huis.
Ik rijd te roekeloos.
De politie heeft vorige week honderden boetes uitgedeeld aan boerenactivisten die met trekkers over snelwegen reden.
Rij jij?
Rijden kan ik niet.

Vertalinge

Esperantoveturigi
Friesride