Informasie oor die woord hebben (Nederlands → Esperanto: havi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ɦɛbə(n)/
Afbrekingheb·ben

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) heb(ik) had
(jij) hebt(jij) had
(hij) hebt(hij) had
(wij) hebben(wij) hadden
(jullie) hebben(jullie) hadden
(gij) hebt(gij) hadt
(zij) hebben(zij) hadden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) hebbe(dat ik) hadde
(dat jij) hebbe(dat jij) hadde
(dat hij) hebbe(dat hij) hadde
(dat wij) hebben(dat wij) hadden
(dat jullie) hebben(dat jullie) hadden
(dat gij) hebbet(dat gij) haddet
(dat zij) hebben(dat zij) hadden
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
hebbend, hebbende(hebben) gehad

Voorbeelde van gebruik

Hoeveel kinderen hebt u?
Ik heb geen dochter.
Ik wist niet dat ik vijanden had.
Hij moet toch ook een moeder hebben gehad.
We hadden gasten.

Vertalinge

Afrikaans
Engelshave
Esperantohavi
Frieshawwe
Nederduitshebben; hevven
Skotshae