Informasie oor die woord spannen (Nederlands → Esperanto: streĉi)

Sinonieme: nauwer aanhalen, uitrekken

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/spɑnə(n)/
Afbrekingspan·nen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) span(ik) spande
(jij) spant(jij) spande
(hij) spant(hij) spande
(wij) spannen(wij) spanden
(jullie) spannen(jullie) spanden
(gij) spant(gij) spandet
(zij) spannen(zij) spanden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) spanne(dat ik) spande
(dat jij) spanne(dat jij) spande
(dat hij) spanne(dat hij) spande
(dat wij) spannen(dat wij) spanden
(dat jullie) spannen(dat jullie) spanden
(dat gij) spannet(dat gij) spandet
(dat zij) spannen(dat zij) spanden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
spanspant
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
spannend, spannende(hebben) gespannen

Voorbeelde van gebruik

Men ging over op geprepareerde doeken die men over een houten raamwerk spande.
Ik heb de draden weer gespannen.

Vertalinge

Deenstrække op
Duitsaufziehen; spannen; anspannen; ausspannen; straffen; anziehen
Engelsstretch; strain
Esperantostreĉi
Faroëesspenna; toyggja
Finsjännittää
Fransbander; raidir; remonter; serrer; tendre
Italiaanscaricare
Katalaansblegar; estirar; flectir; prèmer; tesar; tibar
Poolsnapinać
Portugeesapertar; armar; dar corda; engatilhar; entesar; esticar; retesar
Saterfriessponne; anhiesje; diene; uutdiene; räkke; uuträkke; sträkke
Spaansamartillar; atirantar; dar cuerda; tensar