Informasie oor die woord opzetten (Nederlands → Esperanto: establi)

Sinonieme: inrichten, oprichten, stichten, vestigen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔpsɛtə(n)/
Afbrekingop·zet·ten

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) zet op(ik) zette op
(jij) zet op(jij) zette op
(hij) zet op(hij) zette op
(wij) zetten op(wij) zetten op
(jullie) zetten op(jullie) zetten op
(gij) zet op(gij) zettet op
(zij) zetten op(zij) zetten op
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) opzette(dat ik) opzette
(dat jij) opzette(dat jij) opzette
(dat hij) opzette(dat hij) opzette
(dat wij) opzetten(dat wij) opzetten
(dat jullie) opzetten(dat jullie) opzetten
(dat gij) opzettet(dat gij) opzettet
(dat zij) opzetten(dat zij) opzetten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zet opzet op
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
opzettend, opzettende(hebben) opgezet

Voorbeelde van gebruik

Het Kremlin heeft een gigantische desinformatiecampagne opgezet om Orbán aan de macht te houden.
Men kan verschillende theorieën opzetten.

Vertalinge

Afrikaansoprig
Deensoprette
Duitsgründen; etablieren; begründen; einrichten; eröffnen; anlegen; aufstellen
Engelserect; set
Esperantoestabli
Faroëesstovna
Friesstiftsje; fêstigje; ynrjochtsje
Katalaansedificar; establir
Nederduitsstichten; uprichten
Portugeesestabelecer
Saterfriesgruundje; etablierje
Spaansestablecer; instalar
Thaiสร้าง