Informasie oor die woord stammen (Nederlands → Esperanto: deveni)

Sinonieme: afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈstɑmə(n)/
Afbrekingstam·men

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) stam(ik) stamde
(jij) stamt(jij) stamde
(hij) stamt(hij) stamde
(wij) stammen(wij) stamden
(jullie) stammen(jullie) stamden
(gij) stamt(gij) stamdet
(zij) stammen(zij) stamden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) stamme(dat ik) stamde
(dat jij) stamme(dat jij) stamde
(dat hij) stamme(dat hij) stamde
(dat wij) stammen(dat wij) stamden
(dat jullie) stammen(dat jullie) stamden
(dat gij) stammet(dat gij) stamdet
(dat zij) stammen(dat zij) stamden
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
stammend, stammende(hebben) gestamd

Voorbeelde van gebruik

De oude beuken stammen uit die tijd en zijn heel waardevol voor vogels.

Vertalinge

Deensafstamme
Duitsentspringen; entstehen; herkommen; stammen; abstammen
Engelscome; derive; originate; result; stem; spring
Esperantodeveni; origini
Faroëesvera ættaður frá; koma av
Fransprovenir
Friesôfskaaie; ôfstamje
Italiaansdiscendere
Katalaansoriginar‐se; procedir; se originari; venir de
Nederduitsstammen
Portugeesderivar; provir; vir de
Saterfriesäntspringe; äntstounde; häärkuume; stamme; oustamme
Spaansoriginarse; proceder
Sweedshärstamma