Informasie oor die woord hompelen (Nederlands → Esperanto: lami)

Sinonieme: hinken, kreupel lopen, mank lopen, trekken

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɦɔmpələ(n)/
Afbrekinghom·pe·len

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) hompel(ik) hompelde
(jij) hompelt(jij) hompelde
(hij) hompelt(hij) hompelde
(wij) hompelen(wij) hompelden
(jullie) hompelen(jullie) hompelden
(gij) hompelt(gij) hompeldet
(zij) hompelen(zij) hompelden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) hompele(dat ik) hompelde
(dat jij) hompele(dat jij) hompelde
(dat hij) hompele(dat hij) hompelde
(dat wij) hompelen(dat wij) hompelden
(dat jullie) hompelen(dat jullie) hompelden
(dat gij) hompelet(dat gij) hompeldet
(dat zij) hompelen(dat zij) hompelden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
hompelhompelt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
hompelend, hompelende(hebben/zijn) gehompeld

Voorbeelde van gebruik

Een soldaat met één been hompelde steunend op zijn kruk in het rond.

Vertalinge

Deenshalte
Duitshinken; humpeln; lahmen
Engelslimp
Esperantolami
Faroëeshalta
Italiaanszoppicare
Portugeescapengar; coxear
Saterfrieshinkje; humpelje; kloutje
Spaanscojear
Sweedshalta
Turksaksamak