Informasie oor die woord menen (Nederlands → Esperanto: opinii)

Sinonieme: achten, geloven, van mening zijn, vinden, dunken, de mening toegedaan zijn

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈmenə(n)/
Afbrekingme·nen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) meen(ik) meende
(jij) meent(jij) meende
(hij) meent(hij) meende
(wij) menen(wij) meenden
(jullie) menen(jullie) meenden
(gij) meent(gij) meendet
(zij) menen(zij) meenden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) mene(dat ik) meende
(dat jij) mene(dat jij) meende
(dat hij) mene(dat hij) meende
(dat wij) menen(dat wij) meenden
(dat jullie) menen(dat jullie) meenden
(dat gij) menet(dat gij) meendet
(dat zij) menen(dat zij) meenden
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
menend, menende(hebben) gemeend

Voorbeelde van gebruik

En om de vijand uit zijn basis te lokken zodat wij hem tot de strijd konden dwingen, meende hij dat wij een invasie van het eiland Midway moesten ondernemen en ook van Kingman’s Reef, 960 mijl zuid‐zuidwestelijk van Pearl Harbor.
En als u meent dat men een bus kan nemen, dan begrijpen wij elkander niet.
Toch meende hij een oplossing te zien voor dit probleem.
Ik meende in ieder geval dat ik het risico niet kon nemen.

Vertalinge

Deensmene; synes
Duitsbedünken; befinden; dafür halten; erachten; meinen
Engelsthink; feel
Esperantoopinii
Finsarvella
Franspenser que; être d’avis
Friesachtenearje; achtsje; miene; fine
Katalaanscreure; opinar
Latynopinari
Nederduitsmeynen; gelöyven
Noorssynes
Papiamentsopiná
Poolsmniemać; śadzieć
Portugeesjulgar; opinar; ser de opinião
Saterfriesbefiende; deerfoar hoolde; meene
Spaansopinar
Sweedsanse; tycka
Tsjeggiesdomnívat se; mínit
Yslandsmér finnst