Informasie oor die woord martelen (Nederlands → Esperanto: torturi)

Sinonieme: folteren, pijnigen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈmɑrtələ(n)/
Afbrekingmar·te·len

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) martel(ik) martelde
(jij) martelt(jij) martelde
(hij) martelt(hij) martelde
(wij) martelen(wij) martelden
(jullie) martelen(jullie) martelden
(gij) martelt(gij) marteldet
(zij) martelen(zij) martelden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) martele(dat ik) martelde
(dat jij) martele(dat jij) martelde
(dat hij) martele(dat hij) martelde
(dat wij) martelen(dat wij) martelden
(dat jullie) martelen(dat jullie) martelden
(dat gij) martelet(dat gij) marteldet
(dat zij) martelen(dat zij) martelden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
martelmartelt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
martelend, martelende(hebben) gemarteld

Voorbeelde van gebruik

Vijftien tegenstanders van het militaire regime werden gemarteld en geëxecuteerd in Fort Zeelandia, het hoofdkwartier van Bouterse.
Je bent van plan me te martelen, en me te doden.
Ook werd hij een paar maal gevangen genomen en één keer zelfs gemarteld.
Niemand hield van hem en nu zouden ze hem ook nog martelen tot hij alles vertelde.
Dan zullen ze hem ongetwijfeld martelen.

Vertalinge

Afrikaansmartel
Engelsagonize; torture
Esperantotorturi
Finskiduttaa
Friesfolterje; martelje
Italiaanstorturare
Maleisaniaya … menganiaya
Sweedsmartera; pina; plåga; tortera