Informasie oor die woord zullen (Nederlands → Esperanto: devi)

Sinonieme: horen, behoren, dienen, moeten, motten, hebben, moet

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈzɵlə(n)/
Afbrekingzul·len

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) zal(ik) zou
(jij) zal, zult(jij) zou
(hij) zal(hij) zou
(wij) zullen(wij) zouden
(jullie) zullen(jullie) zouden
(gij) zult(gij) zoudt
(zij) zullen(zij) zouden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) zulle(dat ik) zoude
(dat jij) zulle(dat jij) zoude
(dat hij) zulle(dat hij) zoude
(dat wij) zullen(dat wij) zouden
(dat jullie) zullen(dat jullie) zouden
(dat gij) zullet(dat gij) zoudet
(dat zij) zullen(dat zij) zouden
Teenwoordige deelwoord
zullend, zullende

Voorbeelde van gebruik

Gij zult niet echtbreken.

Vertalinge

Afrikaansmoet
Deensmåtte; skulle
Duitsmüssen; sollen; dürfen; haben
Engelsmust; ought to; should; need; be obliged to; be obliged; have to; be to
Engels (Ou Engels)sculan
Esperantodevi
Faroëesskula; noyðast
Finstäytyä
Fransdevoir; être obligé; avoir à
Friesmoatte
Hongaarskell; kötelező; muszáj
Jamaikaanse Patoisafi
Kabiliesssefk (ⵙⵙⴻⴼⴽ)
Katalaanshaver de
Luxemburgsmissen
Maleisharus
Nederduitsmöäten
Papiamentsmester; mesté
Poolsmusieć
Portugeesdever; ter a obrigação; ter de; ter que
Russies<должен>
Saterfriesmoute; skälle
Skotsmaun; hae tae
Spaansdeber; tener que
Srananmusu; abi fu
Sweedsböra; må; måste
Thaiควร; ต้อง; พึง