Informasie oor die woord neerschieten (Nederlands → Esperanto: paffaligi)

Sinonieme: neerhalen, neerknallen, neerleggen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈneːrsxitə(n)/
Afbrekingneer·schie·ten

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) schiet neer(ik) schoot neer
(jij) schiet neer(jij) schoot neer
(hij) schiet neer(hij) schoot neer
(wij) schieten neer(wij) schoten neer
(jullie) schieten neer(jullie) schoten neer
(gij) schiet neer(gij) schoot neer
(zij) schieten neer(zij) schoten neer
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) neerschiete(dat ik) neerschote
(dat jij) neerschiete(dat jij) neerschote
(dat hij) neerschiete(dat hij) neerschote
(dat wij) neerschieten(dat wij) neerschoten
(dat jullie) neerschieten(dat jullie) neerschoten
(dat gij) neerschietet(dat gij) neerschotet
(dat zij) neerschieten(dat zij) neerschoten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schiet neerschiet neer
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
neerschietend, neerschietende(hebben) neergeschoten

Voorbeelde van gebruik

Twee Iraanse drones die richting Israël gingen zijn in de nacht van zaterdag op zondag boven Irak neergeschoten.
En wie dacht je dat ze wilden gaan neerschieten met die pistolen?
Hij greep naar zijn pistool en schoot de man neer.
Schiet hem neer, jongens!
En hij had drie van hen neergeschoten.
De vrouw die in het Capitool is neergeschoten toen Trump‐aanhangers het gebouw binnendrongen is aan haar verwondingen overleden.

Vertalinge

Afrikaansafskiet
Duitsabschießen
Engelsshoot; down; shoot down; bring down
Esperantopaffaligi