Informasie oor die woord aanbreken (Nederlands → Esperanto: malfermi)

Sinonieme: opendoen, openen, openmaken, openstellen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈambrekə(n)/
Afbrekingaan·bre·ken

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) breek aan(ik) brak aan
(jij) breekt aan(jij) brak aan
(hij) breekt aan(hij) brak aan
(wij) breken aan(wij) braken aan
(jullie) breken aan(jullie) braken aan
(gij) breekt aan(gij) braakt aan
(zij) breken aan(zij) braken aan
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) aanbreke(dat ik) aanbrake
(dat jij) aanbreke(dat jij) aanbrake
(dat hij) aanbreke(dat hij) aanbrake
(dat wij) aanbreken(dat wij) aanbraken
(dat jullie) aanbreken(dat jullie) aanbraken
(dat gij) aanbreket(dat gij) aanbraket
(dat zij) aanbreken(dat zij) aanbraken
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
breek aanbreekt aan
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
aanbrekend, aanbrekende(hebben) aangebroken

Voorbeelde van gebruik

Nisbet stond op en brak een nieuwe kruik aan.

Vertalinge

Afrikaansoopmaak; aanbreek
Albanieshap
Deensåbne
Duitsaufmachen; öffnen; aufdrehen
Engelsopen
Engels (Ou Engels)ontynan; geopenian
Esperantomalfermi; aperti; ovri
Faroëeslata upp
Fransouvrir
Friesslute; iepenstelle
Italiaansaprire
Jamaikaanse Patoisuopm
Katalaansobrir
Papiamentshabri
Poolsotwierać
Portugeesabrir
Roemeensdeschide
Russiesоткрывать; открыть
Saterfrieseepen moakje; eepenje
Skots-Gaeliesfosgail
Spaansabrir
Sweedsstänga
Thaiเปิด
Tsjeggiesotevírat; otevřít; otvírat; rozevřít
Turksaçmak
Walliesagor
Yslandsopna