Informasie oor die woord spreken (Nederlands → Esperanto: paroli)

Sinoniem: praten

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsprekə(n)/
Afbrekingspre·ken

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) spreek(ik) sprak
(jij) spreekt(jij) sprak
(hij) spreekt(hij) sprak
(wij) spreken(wij) spraken
(jullie) spreken(jullie) spraken
(gij) spreekt(gij) spraakt
(zij) spreken(zij) spraken
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) spreke(dat ik) sprake
(dat jij) spreke(dat jij) sprake
(dat hij) spreke(dat hij) sprake
(dat wij) spreken(dat wij) spraken
(dat jullie) spreken(dat jullie) spraken
(dat gij) spreket(dat gij) spraket
(dat zij) spreken(dat zij) spraken
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
spreekspreekt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
sprekend, sprekende(hebben) gesproken

Voorbeelde van gebruik

Ik was een andere mening toegedaan en verliet de kapitein, nadat ik hem nogmaals beloofd had met niemand over de verdwijning van mijn medepassagier te spreken.
Op een winterse dag met Regin over zijn toekomst sprekend, vroeg Sigurd: „Welke daden worden van mij verwacht?”

Vertalinge

Afrikaanspraat; gesels
Deenssnakke
Engelsspeak
Esperantoparoli
Fransparler
Italiaansparlare
Russiesговорить
Spaanshablar