Informatie over het woord prallen (Duits → Esperanto: kolizii)

Synoniemen: kollidieren, zusammenstoßen, zusammenprallen, in Konflikt geraten, aneinandergeraten

Uitspraak/ˈpralən/
Afbrekingpral·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) pralle(ich) prallte
(du) prallst(du) pralltest
(er) prallt(er) prallte
(wir) prallen(wir) prallten
(ihr) prallen(ihr) pralltet
(sie) prallen(sie) prallten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) pralle(ich) prallte
(du) prallest(du) pralltest
(er) pralle(er) prallte
(wir) prallen(wir) prallten
(ihr) prallet(ihr) pralltet
(sie) prallen(sie) prallten
Gebiedende wijs
(du) pralle
(ihr) prallen
prallen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
prallend(sein) geprallt

Voorbeelden van gebruik

In der Oberpfalz kam zudem ein Autofahrer ums Leben, als sein Wagen von der Straße abkam und gegen einen Baum prallte.

Vertalingen

Catalaanscol·lidir; topar; xocar
Engelscrash
Esperantokolizii
Finstörmätä
Nederlandsbotsen; op elkaar botsen; in botsing komen
Westerlauwers Friesbotse; opinoar botse