Informatie over het woord Norden (Duits → Esperanto: nordo)

Uitspraak/ˈnɔrdən/
AfbrekingNor·den
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtmanlijk

Verbuiging

 EnkelvoudMeervoud
NominatiefNorden
GenitiefNordens
DatiefNorden
AccusatiefNorden

Voorbeelden van gebruik

Bei einem Busunglück im Norden Norwegens sind mindestens drei Menschen ums Leben gekommen.

Vertalingen

Afrikaansnoorde
Engelsnorth
Esperantonordo
Nederduitsnoorden
Nederlandsnoorden
Schotsnorth
Tagaloghilagà
Welsgogledd
Westerlauwers Friesnoarden