Informatie over het woord tragen (Duits → Esperanto: porti)

Uitspraak/ˈtraːɡən/
Afbrekingtra·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) trage(ich) trug
(du) trägst(du) trugst
(er) trägt(er) trug
(wir) tragen(wir) trugen
(ihr) tragt(ihr) trugt
(sie) tragen(sie) trugen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) trage(ich) trüge
(du) tragest(du) trügest
(er) trage(er) trüge
(wir) tragen(wir) trügen
(ihr) traget(ihr) trüget
(sie) tragen(sie) trügen
Gebiedende wijs
(du) trage
(ihr) tragt
tragen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
tragend(haben) getragen

Voorbeelden van gebruik

Der etwa 17 bis 20 Jahre alte Unbekannte trug den Zeugen zufolge eine Langwaffe bei sich.

Vertalingen

Afrikaansdra
Engelswear; carry
Esperantoporti; surporti
Fransporter
Nederlandsdragen; bij zich hebben
Zweedsbära