Informatie over het woord annehmen (Duits → Esperanto: supozi)

Synoniemen: vermuten, voraussetzen, schätzen

Uitspraak/ˈanneːmən/
Afbrekingan·neh·men
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) nehme an(ich) nahm an
(du) nimmst an(du) nahmst an
(er) nimmt an(er) nahm an
(wir) nehmen an(wir) nahmen an
(ihr) nehmen an(ihr) nahmt an
(sie) nehmen an(sie) nahmen an
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) nehme an(ich) nähme an
(du) nehmest an(du) nähmest an
(er) nehme an(er) nähme an
(wir) nehmen an(wir) nähmen an
(ihr) nehmet an(ihr) nähmet an
(sie) nehmen an(sie) nähmen an
Gebiedende wijs
(du) nimm an
(ihr) nehmen an
nehmen Sie an
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
annehmend(haben) angenommen

Voorbeelden van gebruik

Ich nehme an, Sie wollen wissen, weshalb mich diese Geschichte so sehr interessiert, nicht wahr?

Vertalingen

Afrikaansaanneem
Catalaanssuposar
Deensantage; tro
Engelspresume; suppose; assume
Esperantosupozi
Faeröershalda
Finsolettaa
Franssupposer
IJslandshalda
Italiaanssupporre
Latijnputare
Nederduitsmeynen
Nederlandsaannemen; menen; stellen; vermoeden; veronderstellen; bevroeden; onderstellen; uitgaan van; oordelen; in de veronderstelling verkeren
Papiamentsideá
Poolsprzypuszczać
Portugeesadmitir; conjeturar; crer; fazer de conta; pensar; supor
Saterfriesfermoudje; ounnieme; foaruutsätte; gisje
Spaanssuponer
Tsjechischdomnívat se; předpokládat
Turkssanmak
Westerlauwers Friesergje; fermoedzje
Zweedsanta