Informatie over het woord bezahlen (Duits → Esperanto: pagi)

Synoniemen: zahlen, abzahlen, auszahlen, einzahlen, entrichten

Uitspraak/bəˈtsaːlən/
Afbrekingbe·zah·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) bezahle(ich) bezahlte
(du) bezahlst(du) bezahltest
(er) bezahlt(er) bezahlte
(wir) bezahlen(wir) bezahlten
(ihr) bezahlt(ihr) bezahltet
(sie) bezahlen(sie) bezahlten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) bezahle(ich) bezahlte
(du) bezahlest(du) bezahltest
(er) bezahle(er) bezahlte
(wir) bezahlen(wir) bezahlten
(ihr) bezahlet(ihr) bezahltet
(sie) bezahlen(sie) bezahlten
Gebiedende wijs
(du) bezahle
(ihr) bezahlt
bezahlen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bezahlend(haben) bezahlt

Voorbeelden van gebruik

Jugendliche bis 18 Jahre bezahlen nur sechs Euro.

Vertalingen

Afrikaansbetaal; terugbetaal
Catalaanspagar
Deensbetale
Engelspay
Esperantopagi
Faeröersgjalda; rinda
Finsmaksaa
Franspayer
Hongaarsfizet
Italiaanspagare
Jamaicaans Creoolspie
Maleisbayar … membayar
Nederduitsbestüveren; betålen
Nederlandsbetalen; dokken; uitkeren
Noorsbetale
Papiamentspaga
Poolspłacić
Portugeescustear; pagar
Roemeensplăti
Russischзаплатить; платить
Saterfriesbetoalje; uutbetoalje; äntgjuchte
Schotspey
Spaanspagar
Srananpay
Thaisจ่าย; จ่ายเงิน; เสี่ย
Tsjechischplatit; zaplatit
Westerlauwers Friesbetelje
Zweedsbetala; erlägga