Informatie over het woord essen (Duits → Esperanto: manĝi)

Uitspraak/ˈɛsən/
Afbrekinges·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) esse(ich) aß
(du) ißt(du) aßest, aßt
(er) ißt(er) aß
(wir) essen(wir) aßen
(ihr) essen(ihr) aßt
(sie) essen(sie) aßen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) esse(ich) äße
(du) essest(du) äßest
(er) esse(er) äße
(wir) essen(wir) äßen
(ihr) esset(ihr) äßet
(sie) essen(sie) äßen
Gebiedende wijs
(du) iß
(ihr) essen
essen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
essend(haben) gegessen

Voorbeelden van gebruik

Nein danke, ich esse kein Fleisch!

Vertalingen

Afrikaanseet
Engelseat
Esperantomanĝi
Nederlandseten