Informatie over het woord ernennen (Duits → Esperanto: nomumi)

Uitspraak/ɛrˈnɛnən/
Afbrekinger·nen·nen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) ernenne(ich) ernannte
(du) ernennst(du) ernanntst
(er) ernennt(er) ernannte
(wir) ernennen(wir) ernannten
(ihr) ernennt(ihr) ernanntet
(sie) ernennen(sie) ernannten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) ernenne(ich) ernennte
(du) ernennest(du) ernenntest
(er) ernenne(er) ernennte
(wir) ernennen(wir) ernennten
(ihr) ernennet(ihr) ernenntet
(sie) ernennen(sie) ernennten
Gebiedende wijs
(du) ernenne
(ihr) ernennt
ernennen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
ernennend(haben) ernannt

Voorbeelden van gebruik

Premier Gordon Brown ernannte ihn zum Staatssekretär im Finanzministerium, später zum Kultur‐ und danach zum Gesundheitsminister.

Vertalingen

Afrikaansbenoem
Engelsappoint; nominate
Esperantonomumi
Fransnommer
Nederlandsbenoemen; benoemen tot
Spaansnombrar
Westerlauwers Friesbeneame; beneame ta