Nederlands–Engels woordenboek

Engelse vertaling van het Nederlandse woord aanstellen

Nederlands → Engels

NederlandsEngels (indirect vertaald)Esperanto
info aanstellen
werkwoord
(benoemen)
info appoint
werkwoord
info enoficigi
werkwoord
info zich aanstellen
wederkerend werkwoord
info attitudinize
werkwoord
;
info pose
werkwoord
info afekti
werkwoord
info aansteller
zelfstandig naamwoord
(poseur)
info poseur
zelfstandig naamwoord
info afektulo
zelfstandig naamwoord
info aanstelling
zelfstandig naamwoord
(benoeming)
info appointment
zelfstandig naamwoord
;
info appointment to office
zelfstandig naamwoord
info enoficigo
zelfstandig naamwoord
info stellen
werkwoord
(aanmaken; begaan; afleggen; doen; maken; vervaardigen)
info make
werkwoord
info fari
werkwoord
info stellen
werkwoord
(doen; plaatsen; steken; stoppen; zetten)
info lay down
werkwoord
;
info place
werkwoord
;
info put
werkwoord
;
info set
werkwoord
info meti
werkwoord
info stellen
werkwoord
(opmaken; opstellen)
info draught
werkwoord
;
info draw up
werkwoord
;
info edit
werkwoord
;
info word
werkwoord
info redakti
werkwoord
info stellen
werkwoord
(aannemen; menen; onderstellen; vermoeden; veronderstellen)
info suppose
werkwoord
info supozi
werkwoord
info stellen
werkwoord
(gelijkzetten; rechtzetten)
info adjust
werkwoord
info ĝustigi
werkwoord
info stellen
werkwoord
info elevate
werkwoord
;
info heave
werkwoord
;
info heave up
werkwoord
;
info hoist
werkwoord
;
info lever
werkwoord
;
info lift
werkwoord
;
info raise
werkwoord
info levi
werkwoord
info stellen
werkwoord
(opslaan; vestigen; zetten; opstellen)
info set
werkwoord
info starigi
werkwoord
info stellen
werkwoord
info state
werkwoord
info aserti
werkwoord
NederlandsEngels
aanstellenappoint; commission; constitute; institute; ordain; put in; set up
aanstellen totappoint; appoint as; appoint to be; assign as; constitute; create
zich aanstellenact the fool; attitudinize; carry on; ham; ham up; make an exhibition of oneself; play the fool; pose; posture; sham; show off
zich dwaas aanstellenmake a fool of oneself; play the fool
aanstellerattitudinarian; exhibitionist; phoney; poseur; posture‐maker
aanstellingappointment; appointment to office; commission; institution; warrant
stellenadjust; compose; contrast; fix; interpose; lay down; make; place; pose; put; run; set; state; suppose; tune; tune up
Woordenlijst
<< >