Nederlands–Engels woordenboek

Engelse vertaling van het Nederlandse woord aanspreken

Nederlands → Engels

NederlandsEngels (indirect vertaald)Esperanto
info aanspreken
werkwoord
(aanklampen; toespreken)
info accost
werkwoord
;
info address
werkwoord
info alparoli
werkwoord
info aanspreken
werkwoord
break into
info depreni de
onbekende woordsoort
info aanspreken
werkwoord
sue
info procesi kontraŭ
onbekende woordsoort
info aanspreken
werkwoord
(aanbreken)
info break into
werkwoord
info ekkonsumi
werkwoord
info aanspraak
zelfstandig naamwoord
(toespraak)
info accost
zelfstandig naamwoord
;
info address
zelfstandig naamwoord
;
info intervention
zelfstandig naamwoord
;
info message
zelfstandig naamwoord
;
info speech
zelfstandig naamwoord
info alparolo
zelfstandig naamwoord
info aanspraak
zelfstandig naamwoord
(claim; pretentie)
info claim
zelfstandig naamwoord
info pretendo
zelfstandig naamwoord
info aansprakelijk
bijvoeglijk naamwoord
(verantwoordelijk)
info responsible
bijvoeglijk naamwoord
info responduma
bijvoeglijk naamwoord
info aansprakelijk
bijvoeglijk naamwoord
info accountable
bijvoeglijk naamwoord
;
info corresponding
bijvoeglijk naamwoord
;
info counterpart
bijvoeglijk naamwoord
info responda
bijvoeglijk naamwoord
info aanspreekbaar
bijvoeglijk naamwoord
info approachable
bijvoeglijk naamwoord
;
info communicative
bijvoeglijk naamwoord
;
info get‐at‐able
bijvoeglijk naamwoord
info alparolebla
bijvoeglijk naamwoord
info aanspreker
zelfstandig naamwoord
(doodbidder)
info undertaker’s man
zelfstandig naamwoord
info mortanoncisto
zelfstandig naamwoord
info aanspreker
zelfstandig naamwoord
(doodbidder)
info undertaker’s man
zelfstandig naamwoord
info mortsciigisto
zelfstandig naamwoord
info spreken
werkwoord
(praten)
info speak
werkwoord
;
info talk
werkwoord
info paroli
werkwoord
info spreken
zelfstandig naamwoord
info speak
zelfstandig naamwoord
info parolo
zelfstandig naamwoord
info spreken
werkwoord
info paroli kun
onbekende woordsoort
NederlandsEngels
aansprekenaccost; address; appeal to; bespeak; break into; dip; draw upon; solicit; speak; speak to; talk to; tap
de fles geducht aansprekenhave a good go at the bottle
iemand aanspreken om schadevergoedingclaim damages from somebody
iemand aanspreken overtalk to somebody about
iemand aanspreken over ietstackle somebody about something
iemand met … aansprekenaddress somebody with
in rechten aansprekensue
aanspraakallocution; claim; pretence; pretension; title
aansprakelijkanswerable; liable; responsible
aanspreekbaarapproachable; communicative; get‐at‐able
aanspreekpuntcontact
aansprekerundertaker’s man
sprekenconverse; discourse; say; see; speak; talk
Woordenlijst
<< >