Nederlands–Engels woordenboek

Engelse vertaling van het Nederlandse woord aansluiten

Nederlands → Engels

NederlandsEngels (indirect vertaald)Esperanto
info aansluiten
werkwoord
(verbinden)
info connect
werkwoord
;
info plug in
werkwoord
info konekti
werkwoord
info aansluiten
werkwoord
(zich aaneensluiten; zich verenigen)
info join
werkwoord
info kuniĝi
werkwoord
info aansluiten
werkwoord
(verbinden; liëren)
info connect
werkwoord
;
info join
werkwoord
;
info link
werkwoord
info ligi
werkwoord
info aansluiten
werkwoord
(corresponderen)
info correspond
werkwoord
info korespondi
werkwoord
info aansluiten op
werkwoord
info link together
werkwoord
info konekti al
werkwoord
info zich aansluiten
wederkerend werkwoord
info join
werkwoord
info aliĝi
werkwoord
(zich voegen bij)
info join
werkwoord
info aliĝi al
werkwoord
info aansluiting
zelfstandig naamwoord
(connectie; verbinding)
info connection
zelfstandig naamwoord
info konekto
zelfstandig naamwoord
info aansluiting
zelfstandig naamwoord
info joining
zelfstandig naamwoord
;
info junction
zelfstandig naamwoord
info kuniĝo
zelfstandig naamwoord
info aansluiting
zelfstandig naamwoord
info connection
zelfstandig naamwoord
info konekso
zelfstandig naamwoord
info sluiten
werkwoord
(dichtgaan; zich sluiten)
info close
werkwoord
info fermiĝi
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(dichtdoen; dichtmaken; toedoen)
info close
werkwoord
;
info shut
werkwoord
info fermi
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(afsluiten; op slot doen; dichtsluiten)
info lock
werkwoord
info ŝlosi
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(aangaan; afsluiten; contracteren)
info enter into a contract
werkwoord
;
info make a contract
werkwoord
info kontrakti
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(insluiten; opsluiten; wegsluiten)
info shut up
werkwoord
info enŝlosi
werkwoord
NederlandsEngels
aansluitenaffiliate; close up; connect; correspond; hook up; join; link; link up; plug in; plumb in
aansluiten opbe linked up with; connect with; link to; link up with; link with
zich aansluitenaffiliate; fall into line; join hands; unite
zich aansluiten bijaffiliate to; affiliate with; align oneself with; attach oneself to; become affiliated to; become affiliated with; defer to; hold with; join; join force with; join in; join with; line up behind; line up with; link up with; rally to; tie in with
aangeslotenaffiliated; on
aansluitingaffiliation; communication; connection; correspondence; joining; junction
sluitenbalance; batten down; clasp; close; close down; close up; conclude; conclusion; contract; effect; fasten; fold; go out of business; lock; lock‐up; make; negotiate; prorogue; put up the shutters; seal; secure; shut; shut down; shut itself; shut up; sign off; strike; strike up
Woordenlijst
<< >