Nederlands–Engels woordenboek

Engelse vertaling van het Nederlandse woord aanpakken

Nederlands → Engels
Engels → Nederlands

NederlandsEngels (indirect vertaald)Esperanto
info aanpakken
werkwoord
(beginnen aan; beginnen met)
info begin
werkwoord
;
info commence
werkwoord
;
info start
werkwoord
info komenci
werkwoord
info aanpakken
werkwoord
(aangrijpen; aantasten; aanvallen; attaqueren)
info attack
werkwoord
;
info tackle
werkwoord
info ataki
werkwoord
info aanpak
zelfstandig naamwoord
info approach
zelfstandig naamwoord
info alpaŝo
zelfstandig naamwoord
info pakken
werkwoord
(beetpakken)
info clutch
werkwoord
;
info grasp
werkwoord
info ekteni
werkwoord
info pakken
werkwoord
(inpakken; verpakken)
info pack
werkwoord
info enpaki
werkwoord
info pakken
werkwoord
(beetkrijgen; betrappen; opvangen; vangen; vatten)
info capture
werkwoord
;
info catch
werkwoord
;
info grasp
werkwoord
;
info seize
werkwoord
info kapti
werkwoord
info pakken
werkwoord
(emballeren; inpakken)
info pack
werkwoord
info paki
werkwoord
info pakken
werkwoord
(aanvatten; nemen; vatten)
info get
onbekende woordsoort
;
info lay hold of
werkwoord
;
info take
werkwoord
info preni
werkwoord
NederlandsEngels
aanpakkenaddress; address oneself to; approach; attack; bestir oneself; buckle down to; buckle to; catch hold of; collar; deal with; fall to; get down to; get hold of; go at it; grab hold of; grapple with; handle; hustle; knuckle down to; lay hold of; sail into; seize; seize hold of; set one’s hand to; tackle; take hold of; tell; tell upon; try; turn one’s hand to; turn to; wire away; wire in
dat pakt je nogal aanit rather tells on you; it takes it out of you
flink aanpakkenget a shift on; go to town; handle without mittens; put his back into the work; put one’s back into the job
het goed aanpakkengo to work the right way
het verkeerd aanpakkengo about it the wrong way; go the wrong way to work; go to work the wrong way
hoe wil je dat aanpakken?how are you going to set about it?
iemand flink aanpakkentake a firm line with somebody; take somebody in hand
iemand ruw aanpakkenhandle somebody roughly; use somebody roughly
iemand verkeerd aanpakkenrub somebody the wrong way; rub somebody up the wrong way
iemand zacht aanpakkenhandle somebody gently
aanpakapproach; line
pakkenbale; ball; bind; bite; capture; catch; catch hold of; catch on; clutch; crowd; cuddle; fetch; get; get hold of; grab hold of; grasp; grip; hug; lay hold of; pack; pack up; pinch; seize; seize hold of; snatch; squeeze; stow; take; take hold of; take on; tell
Woordenlijst
<< >