Nederlands–Engels woordenboek

Engelse vertaling van het Nederlandse woord aaneensluiten

Nederlands → Engels
Engels → Nederlands

NederlandsEngels (indirect vertaald)Esperanto
info aaneensluiten
werkwoord
info condense
werkwoord
info densigi
werkwoord
info zich aaneensluiten
wederkerend werkwoord
(aansluiten; zich verenigen)
info associate
werkwoord
;
info join
werkwoord
;
info unite
werkwoord
info kuniĝi
werkwoord
info aaneen
bijwoord
(bijeen; samen; tezamen; bij elkaar; saam)
info together
bijwoord
info kune
bijwoord
info aaneen
bijwoord
info at a stretch
bijwoord
;
info on end
bijwoord
;
info for … together
bijwoord
info seninterrompe
bijwoord
info aaneen
bijwoord
(achtereen)
info at a stretch
bijwoord
;
info on end
bijwoord
;
info for … together
bijwoord
info senhalte
bijwoord
info aaneengesloten
bijvoeglijk naamwoord
(dicht; dik)
info concentrated
bijvoeglijk naamwoord
;
info condensed
bijvoeglijk naamwoord
;
info dense
bijvoeglijk naamwoord
;
info thick
bijvoeglijk naamwoord
info densa
bijvoeglijk naamwoord
info sluiten
werkwoord
(dichtgaan; zich sluiten)
info close
werkwoord
info fermiĝi
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(dichtdoen; dichtmaken; toedoen)
info close
werkwoord
;
info shut
werkwoord
info fermi
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(afsluiten; op slot doen)
info lock
werkwoord
info ŝlosi
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(aangaan; afsluiten; contracteren)
info enter into a contract
werkwoord
;
info make a contract
werkwoord
info kontrakti
werkwoord
info sluiten
werkwoord
(insluiten; opsluiten; wegsluiten)
info shut up
werkwoord
info enŝlosi
werkwoord
NederlandsEngels
aaneensluitenconnect; fit
zich aaneensluitenassociate; close; close the ranks; consolidate; join; join hands; join up; rally; unite
aaneentogether
aaneengeslotenclose; serried; shoulder to schoulder; united
sluitenbalance; batten down; clasp; close; close down; close up; conclude; conclusion; contract; effect; fasten; fold; go out of business; lock; lock‐up; make; negotiate; prorogue; put up the shutters; seal; secure; shut; shut down; shut itself; shut up; sign off; strike up
Woordenlijst
<< >