Engels–Nederlands woordenboek

Nederlandse vertaling van het Engelse woord small‐scale

Engels → Nederlands

EngelsNederlands (indirect vertaald)Esperanto
info scale
zelfstandig naamwoord
info schilfer
zelfstandig naamwoord
;
info schub
zelfstandig naamwoord
info skvamo
onbekende woordsoort
info scale
werkwoord
(ascend; climb; mount)
info beklimmen
werkwoord
info surgrimpi
onbekende woordsoort
info scale
zelfstandig naamwoord
info schaal
zelfstandig naamwoord
info skalo
onbekende woordsoort
info scale
zelfstandig naamwoord
(gamut; key; range)
info gamma
zelfstandig naamwoord
;
info scala
zelfstandig naamwoord
;
info toonladder
zelfstandig naamwoord
;
info toonschaal
zelfstandig naamwoord
info gamo
onbekende woordsoort
info scale
werkwoord
info met een ladder beklimmen
werkwoord
info eskali
onbekende woordsoort
info scale
zelfstandig naamwoord
(fur)
info aanslag
zelfstandig naamwoord
info alkrustiĝo
onbekende woordsoort
info scale
werkwoord
(climb)
info escaleren
werkwoord
;
info met ladders bestormen
werkwoord
info eskaladi
onbekende woordsoort
info scale
zelfstandig naamwoord
(breadth; bulk; dimension; extent; range; scope; size; latitude; purview)
info bestek
zelfstandig naamwoord
;
info grootte
zelfstandig naamwoord
;
info omvang
zelfstandig naamwoord
;
info uitgebreidheid
zelfstandig naamwoord
info amplekso
onbekende woordsoort
info scale
zelfstandig naamwoord
(fur; tartar)
info tandsteen
zelfstandig naamwoord
info tartro
onbekende woordsoort
info small
bijvoeglijk naamwoord
(little; petit; petite; slim)
info klein
bijvoeglijk naamwoord
;
info luttel
bijvoeglijk naamwoord
;
info min
bijvoeglijk naamwoord
;
info gering
bijvoeglijk naamwoord
info malgranda
onbekende woordsoort
EngelsNederlands
small‐scalekleinschalig
small‐scale industrykleinbedrijf
scaleaanslag; afschilferen; barema; beklimmen; bikken; gamma; hamerslag; ketelsteen; maatstaf; op schaal tekenen; pellen; scala; schaal; schildluis; schilfer; schilferen; schrappen; schub; schubbe; schubben; talstelsel; tandsteen; toonladder; toonschaal; weegschaal
smallarmzalig; dun; gering; klein; kleingeestig; kleintje; kleinzielig; luttel; min; miniem; onbelangrijk; priegelig; weinig; zwak
Woordenlijst
<< >