English–Dutch dictionary

Dutch translation of the English word person

English → Dutch

EnglishDutch (translated indirectly)Esperanto
info person
common noun
(personage; personality)
info personage
common noun
;
info persoon
common noun
info persono
common noun
info person
common noun
(chap; fellow; guy)
info gast
common noun
;
info gozer
common noun
;
info kerel
common noun
;
info knul
common noun
;
info snuiter
common noun
;
info sujet
common noun
;
info vent
common noun
info ulo
common noun
info contact person
common noun
(contact)
info contactpersoon
common noun
info kontaktulo
common noun
info contact person
common noun
(contactman)
info contactpersoon
common noun
info interkontaktulo
common noun
without respect of personszonder aanzien des persoonssen konsidero al la persono
info personal
adjective
info persoonlijk
adjective
info persona
adjective
info personal
adjective
(own; proper; very)
info eigen
adjective
info propra
adjective
info personal
adjective
(private)
info privé‐
adjective
;
info privé
adjective
info privata
adjective
info personal
adjective
(confidential; sensitive)
info confidentieel
adjective
;
info geheim
adjective
;
info vertrouwelijk
adjective
info konfidenca
adjective
info personal
adjective
(close; inmost; innermost; intimate; cosy)
info intiem
adjective
info intima
adjective
info personnel
common noun
info personeel
common noun
info personaro
common noun
info personnel
common noun
(labour force; staff)
info personeel
common noun
info dungitaro
common noun
info spokesperson
common noun
(spokesman)
info woordvoerder
common noun
info porparolanto
common noun
EnglishDutch
personfiguur; mens; personage; persoon; rechtspersoon
in personhoogstpersoonlijk; in persoon; persoonlijk
irrespective of personszonder aanzien des persoons
private personparticulier
without respect of personszonder aanzien des persoons; zonder aanziens des persoons
impersonateimiteren; verpersoonlijken; vertolken; voorstellen; zich uitgeven voor
personalbeledigend; contactadvertentie; eigen; intiem; personeel; persoonlijk; persoonsgebonden; privé; privé‐
personatede rol vervullen van; uitbeelden; voorstellen; zich uitgeven voor
person‐centredpersoonsgericht
personifypersonaliseren; personificeren; personifiëren; verpersoonlijken
personnelafdeling personeelszaken; manschappen; personeel
spokespersonwoordvoerder; woordvoerster
Word list
<< >