English–Dutch dictionary

Dutch translation of the English word period

English → Dutch

EnglishDutch (translated indirectly)Esperanto
info period
common noun
(term)
info periode
common noun
;
info tijdvak
common noun
info periodo
common noun
info period
common noun
(dot; full stop; locus; moment; point; question; spot; stop)
info punt
common noun
info punkto
common noun
info period
common noun
(age; epoch; era; time)
info periode
common noun
info epoko
common noun
info period
common noun
(duration; timeframe; timescale)
info tijdsduur
common noun
info tempodaŭro
common noun
info period
common noun
(time; while)
info tijd
common noun
info tempo
common noun
info periodical
adjective
(recurrent)
info periodiek
adjective
info perioda
adjective
info periodical
common noun
(mag; magazine; newspaper; paper)
info blad
common noun
;
info courant
common noun
;
info gazet
common noun
;
info krant
common noun
;
info nieuwsblad
common noun
info gazeto
common noun
EnglishDutch
periodcyclus; fase; menstruatie; menstruatiecyclus; omloop; omloopstijd; omlooptijd; periode; punt; repetent; samengestelde volzin; schooluur; stadium; termijn; tijd; tijdkring; tijdvak; <van een zekere tijd>
delivery periodleveringstijd; levertijd
have one’s periodmenstrueren; ongesteld zijn
latent periodincubatietijd
monthly periodmenstruatie; menstruatiecyclus
payback periodterugverdientijd
period of developmentontwikkelingstijdperk
period of probationproeftijd
period of validitygeldigheidsduur
probationary periodproefperiode; proeftijd
put a period toeen einde maken aan
training periodstage
transitional periodovergangstijdperk
transition periodovergangstijdperk
warranty periodgarantieperiode
periodicperiodiek
periodicalperiodiek; tijdschrift
Word list
<< >