English–Dutch dictionary

Dutch translation of the English word peepshow

English → Dutch
Dutch → English

EnglishDutch (translated indirectly)Esperanto
info peep
verb
(
info chirp
verb
;
info squeak
verb
;
info twitter
verb
;
info warble
verb
;
info beep
verb
)
info piepen
verb
info pepi
verb
info peep
verb
info gluren
verb
info kaŝrigardi
verb
info show
verb
(
info demonstrate
verb
;
info manifest
verb
)
info laten blijken
verb
info manifesti
verb
info show
verb
(
info demonstrate
verb
;
info display
verb
;
info indicate
verb
;
info manifest
verb
;
info point out
verb
;
info exhibit
verb
)
info blijk geven van
verb
;
info laten zien
verb
;
info tonen
verb
;
info uitwijzen
verb
;
info vertonen
verb
;
info wijzen
verb
;
info betonen
verb
info montri
verb
info show
common noun
(
info display
common noun
;
info displaying
common noun
;
info performance
common noun
;
info spectacle
common noun
)
info vertoning
common noun
info spektaklo
common noun
info show
common noun
(
info intro
common noun
;
info introduction
common noun
;
info presentation
common noun
;
info rendition
common noun
)
info vertoning
common noun
;
info voorstelling
common noun
;
info show
common noun
info prezentado
common noun
info show
common noun
(
info amusement
common noun
;
info distraction
common noun
;
info diversion
common noun
;
info divertissement
common noun
;
info recreation
common noun
)
info afleiding
common noun
;
info verstrooiing
common noun
;
info verzetje
common noun
info distraĵo
common noun
info show
verb
(
info bring
verb
;
info channel
verb
;
info conduct
verb
;
info drive
verb
;
info guide
verb
;
info lead
verb
;
info wage
verb
)
info besturen
verb
;
info brengen
verb
;
info geleiden
verb
;
info leiden
verb
;
info voeren
verb
info konduki
verb
EnglishDutch
peepshowkijkdoos; kijkkast; peepshow; rarekiek
peepblik; gepiep; gluren; kijken; kijkje; piep; piepen
showaan de dag leggen; aanduiden; aantonen; aanwijzen; afdraaien; betonen; betoon; bewijzen; blijk geven van; demonstreren; draaien; exposeren; expositie; komedie; laten blijken; laten zien; lijken; onderneming; ontplooien; optocht; parade; praalvertoon; pralerij; pronk; pronkerij; schijn; show; te zien zijn; tentoonstellen; tentoonstelling; toneelvoorstelling; tonen; uitkomen; uitwijzen; vertonen; vertoning; vertoon; voor de dag komen; voordoen; voorstelling; wijzen; zaak; zaakje; zich vertonen
<< >