English–Dutch dictionary
Engels–Nederlands woordenboek

Dutch translation of the English word about

Dutch/English
English → Dutch

EnglishDutchEsperanto
info about
adjective
(
info abroad
adjective
)
info in omloop
adjective
info cirkulanta
adjective
info about
preposition
(
info after
preposition
;
info concerning
preposition
;
info for
preposition
; of;
info on
preposition
;
info over
preposition
; regarding;
info upon
preposition
;
info with
preposition
;
info in
preposition
)
info aan
preposition
;
info betreffende
preposition
;
info in
personal pronoun
;
info omtrent
preposition
;
info over
preposition
info pri
preposition
info about
adverb
(
info approximately
adverb
;
info around
adverb
;
info some
adverb
)
info circa
adverb
;
info ongeveer
adverb
;
info zowat
adverb
info proksimume
adverb
info about
adverb
(
info close
adverb
;
info closely
adverb
;
info near
adverb
;
info nearby
adverb
;
info nigh
adverb
)
info dichtbij
adverb
;
info nabij
adverb
;
info vlakbij
adverb
info proksime
adverb
info about
preposition
(close to; near)
info omtrent
common noun
info proksime al
preposition
info about
adverb
(
info around
adverb
)
info ongeveer
adverb
;
info rondom
adverb
info ĉirkaŭe
adverb
info about
adverb
(
info almost
adverb
;
info just about
adverb
;
info nearly
adverb
;
info practically
adverb
;
info virtually
adverb
;
info close to
adverb
)
info zowat
adverb
info preskaŭ
adverb
info about
adverb
(
info contiguously
adverb
;
info nearby
adverb
)
info daarnaast
adverb
;
info hiernaast
adverb
;
info in de nabijheid
adverb
;
info vlakbij
adverb
;
info dichtbij
adverb
info apude
adverb
info about
preposition
(
info toward
preposition
)
info om
preposition
;
info omstreeks
preposition
;
info rondom
preposition
info ĉirkaŭ
preposition
info be about
verb
(
info circulate
verb
;
info get about
verb
)
info in omloop zijn
verb
info cirkuli
verb
be about (be a question of; be on the subject of; involve; pertain)
info gaan over
verb
temi pri
be about toklaar zijn voor; op sprong staanesti …onta
info bring about
verb
(
info cause
verb
;
info lead to
verb
;
info result in
verb
)
info ten gevolge hebben
verb
;
info tot gevolg hebben
verb
;
info uitwerken
verb
;
info resulteren in
verb
info rezultigi
verb
info bring about
verb
(
info arouse
verb
;
info evoke
verb
)
info naar buiten roepen
verb
;
info ten gevolge hebben
verb
;
info uitlokken
verb
info elvoki
verb
info come about
verb
(
info happen
verb
;
info occur
verb
;
info take place
verb
)
info gebeuren
verb
info okazi
verb
info about‐face
common noun
(
info alteration
common noun
;
info change
common noun
;
info conversion
common noun
;
info shift
common noun
;
info transformation
common noun
)
info ommekeer
common noun
;
info ommezwaai
common noun
info ŝanĝo
common noun
EnglishDutch
aboutaan; betreffende; bij; circa; in; in de buurt; in omloop; om; om ... heen; omstreeks; omtrent; ongeveer; op het gebied van; over; rondom; zowat
about townin de stad
all aboutoveral
be aboutgaan over; heersen; in de buurt zijn; in omloop zijn; in zijn schild voeren; op de been zijn
be about toop het punt staan om; op het punt staan te
bring aboutaanrichten; bewerken; bewerkstelligen; teweegbrengen; tot stand brengen
come aboutgebeuren; tot stand komen; zich toedragen
he was not long about ithij deed er niet lang over
how about ...?hoe staat het met ...?; wat zeg je van ...?
how about it?hoe denk je erover?
much ado about nothingveel drukte om niets; veel geschreeuw en weinig wol
set about somebodyiemand aanvallen
week aboutom de week
what are you about?waar ben je mee bezig?
about‐faceommekeer; ommezwaai
thereaboutdaar in de buurt; daaromtrent
thereaboutsdaar in de buurt; daaromstreeks; daaromtrent

Translation may also be possible in the following other languages:

<< >