Dutch–English dictionary

English translation of the Dutch word aanvang

Dutch → English

DutchEnglish (translated indirectly)Esperanto
info aanvang
common noun
(begin; ontstaan)
info beginning
common noun
;
info start
common noun
info komenciĝo
unknown part of speech
info aanvang
common noun
(aanhef; begin)
info beginning
common noun
;
info commencement
common noun
;
info onset
common noun
;
info start
common noun
info komenco
unknown part of speech
(aanvangen; beginnen; ingaan)
info begin
verb
;
(aanvaarden; beginnen; beginnen aan; beginnen met; inzetten; starten)
info begin
verb
; ;
info start
verb
info komenci
unknown part of speech
(beginnen; ingaan; een aanvang nemen; inzetten)
info begin
verb
; ;
info start
verb
info aanvangsdatum
common noun
(begindatum)
info date of commencement
common noun
info komencdato
unknown part of speech
info aanvangssnelheid
common noun
(beginsnelheid)
info initial velocity
common noun
info komencrapido
unknown part of speech
(in het begin; in eerste instantie)
info at first
adverb
;
info at the outset
adverb
;
info initially
adverb
;
info in the beginning
adverb
info komence
unknown part of speech
info aanvankelijk
adjective
(aanvangs‐; begin‐)
info initial
adjective
info komenca
unknown part of speech
DutchEnglish
aanvangbeginning; commencement; onset; start
bij de aanvangat the beginning
een aanvang nemencommence; begin
aanvangsdatumdate of commencement
aanvangssnelheidinitial velocity
aanvankelijkin the beginning; at the outset; initial; at first; initially; original; originally
Word list
<< >