Dutch–English dictionary

English translation of the Dutch word aangaan

Dutch → English
English → Dutch

DutchEnglish (translated indirectly)Esperanto
info aangaan
verb
info make a noise
verb
info brui
verb
info aangaan
verb
(ontbranden)
info burn
verb
;
info light
verb
;
info take fire
verb
info ekbruli
verb
info aangaan
verb
info configure
verb
;
info fashion
verb
;
info form
verb
;
info frame
verb
;
info mould
verb
;
info shape
verb
info formi
verb
info aangaan
verb
(betreffen; raken)
info concern
verb
info koncerni
verb
info aangaan
verb
(afsluiten; contracteren; sluiten)
info enter into a contract
verb
;
info make a contract
verb
info kontrakti
verb
info aangaan
verb
(betreffen)
info concern
verb
info rilati
verb
info aangaan bij
verb
call on
info eniri ĉe
unknown part of speech
wat dat aangaat
(wat dit aanbelangt)
as to that; about thatkoncerne tion
info aangaande
preposition
(betreffende; omtrent; over; inzake)
info concerning
preposition
;
info over
preposition
;
info as to
preposition
info pri
preposition
info aangaande
preposition
(met betrekking tot; ten aanzien van)
as regards; as to; concerning
info rilate
preposition
info aangaande
preposition
(betreffende; inzake)
info as regards
preposition
info koncerne
preposition
info gaan
verb
(lopen; varen; verlopen; zich begeven)
info go
verb
;
info walk
verb
info iri
verb
info gaan
common noun
(gang; loop; verloop)
info going
common noun
info irado
common noun
info gaan
verb
(lopen)
info walk
verb
info piediri
verb
info gaan
verb
(overgaan)
info resound
verb
;
info sound
verb
;
info strike
verb
info soni
verb
info gaan
verb
(rijden)
info go
verb
;
info travel
verb
info veturi
verb
info gaan
verb
info go
verb
info <futura helpverbo>
unknown part of speech
info gaan
verb
info deal
verb
;
info refer
verb
info temi
verb
DutchEnglish
aangaanbegin; burn; carry on; catch; come on; concern; conclude; contract; enter into; go on; go up; lay; light; light up; negotiate; pertain to; regard; strike; strike up; take fire; take on; touch
aangaan bijcall on
aangaan opgo up to; make for
allen die het aangaatall concerned
bij iemand aangaancall at somebody’s house; call on somebody
dat gaat niet aanthat won’t do
dat gaat u niet aanthat is none of your business
dat gaat u niets aanthat is none of your business
een akkoord aangaancome to an agreement
voor een ieder die het aangaatto whom it may concern
wat dat aangaatas regards this; as respects this; for that matter; if it comes to that
wat gaat mij dat aan?what’s that to me?
wat mij aangaatas for me; for my part; for one; so far as I am concerned
aangaandeas regards; as to; concerning; o’er; over; respecting; with reference to
gaanbear; depart; draw; fare; get on; go; go and; go out; going; make one’s way; move; pass off; proceed; range; run; set; step; travel; walk; walking
Word list
<< >