|
|
The conjugation of the verb "zetten"
Examples: Aan de tafel kunnen allerlei stoelen gezet worden. Dit zet hij een jaar stop om een reis door Australië en Azië te maken. Maar waarop zettet gij dan uw voet? Op het feest deel je de genodigden op in twee groepen, en je zet ze op een rij. Voor acteren zette ze alles opzij. Ze zetten daar ook geweldig graag de bloemetjes buiten. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||