The conjugation of the verb zetten

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) zet(ik) zette
(jij) zet(jij) zette
(hij) zet(hij) zette
(wij) zetten(wij) zetten
(gij) zet(gij) zettet
(zij) zetten(zij) zetten
Aanvoegende wijs
(ik) zette
(jij) zette
(hij) zette
(wij) zetten
(gij) zettet
(zij) zetten
Gebiedende wijs
zet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
zettend(e)gezet