The conjugation of the verb "zetten"

zetten
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) zet(ik) zette
(jij) zet(jij) zette
(u) zet(u) zette
(gij) zet(gij) zettet
(hij) zet(hij) zette
(wij) zetten(wij) zetten
(jullie) zetten(jullie) zetten
(zij) zetten(zij) zetten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
zette; (gij) zettetzette; (gij) zettet
Gebiedende wijs
zet
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
zettend(e)gezet

Examples:

Aan de tafel kunnen allerlei stoelen gezet worden.

Dit zet hij een jaar stop om een reis door Australië en Azië te maken.

Maar waarop zettet gij dan uw voet?

Op het feest deel je de genodigden op in twee groepen, en je zet ze op een rij.

Voor acteren zette ze alles opzij.

Ze zetten daar ook geweldig graag de bloemetjes buiten.