The conjugation of the verb "werken"

werken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) werk(ik) werkte
(jij) werkt; werk (jij)(jij) werkte
(u) werkt(u) werkte
(gij) werkt(gij) werktet
(hij) werkt(hij) werkte
(wij) werken(wij) werkten
(jullie) werken(jullie) werkten
(zij) werken(zij) werkten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
werke; (gij) werketwerkte; (gij) werktet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
werkwerkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
werkend(e)gewerkt

Examples:

Dingen die ik deed volgens de boekjes, werkten in de praktijk helemaal niet

Gij werktet onverdroten en zege was uw loon!

Het is de arbeid van de werkende klasse die de rijkdom creëert.

Ik werk op een afdeling waar meestal wel zo'n zes à acht collega's aanwezig zijn.

Men werke dus niet zo lang tot de klok slaat, maar tot het werk af is.

Met wie werken we samen?

Wie heeft bij ons gewerkt?

Ze werkt hier vanaf februari en heeft het enorm naar haar zin.