The conjugation of the verb "wedden"

wedden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) wed(ik) wedde
(jij) wedt; wed (jij)(jij) wedde
(u) wedt(u) wedde
(gij) wedt(gij) weddet
(hij) wedt(hij) wedde
(wij) wedden(wij) wedden
(jullie) wedden(jullie) wedden
(zij) wedden(zij) wedden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
wedde; (gij) weddetwedde; (gij) weddet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
wedwedt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
weddend(e)gewed

Examples:

De vrienden wedden dat hij de eerst graad zal krijgen, en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn.

De weddende speler mag dan geen steen meer wisselen.

Hij wedde met enkele vrienden om 10 euro dat hij het baliepersoneel van een politiebureau in Maastricht wel durfde uit te schelden.

Ik wed dat dit ingecalculeerd is.

Maar heeft men niet op het verkeerde paard gewed?

Waar wedden jullie om?