|
|
The conjugation of the verb "wedden"
Examples: De vrienden wedden dat hij de eerst graad zal krijgen, en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De weddende speler mag dan geen steen meer wisselen. Hij wedde met enkele vrienden om 10 euro dat hij het baliepersoneel van een politiebureau in Maastricht wel durfde uit te schelden. Ik wed dat dit ingecalculeerd is. Maar heeft men niet op het verkeerde paard gewed? Waar wedden jullie om? |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||