The conjugation of the verb wedden

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) wed(ik) wedde
(jij) wedt; wed (jij)(jij) wedde
(hij) wedt(hij) wedde
(wij) wedden(wij) wedden
(gij) wedt(gij) weddet
(zij) wedden(zij) wedden
Aanvoegende wijs
(ik) wedde
(jij) wedde
(hij) wedde
(wij) wedden
(gij) weddet
(zij) wedden
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
wedwedt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
weddend(e)gewed