|
|
The conjugation of the verb "warmen"
Examples: De vogel vloog lager en zeilde langs bruggen waar mensen lagen, ontheemd, zich warmend aan vuur van kranten. En Simon Petrus stond en warmde zich. Na een poosje toen ze zich gewarmd hadden, zeiden zij: "Kameraad, zullen we eens gaan kaarten?" Om op te warmen zijn we in de hotelkamer lekker in bad gegaan. Waardoor warmt de aarde op? |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||