The conjugation of the verb "warmen"

warmen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) warm(ik) warmde
(jij) warmt; warm (jij)(jij) warmde
(u) warmt(u) warmde
(gij) warmt(gij) warmdet
(hij) warmt(hij) warmde
(wij) warmen(wij) warmden
(jullie) warmen(jullie) warmden
(zij) warmden(zij) warmden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
warme; (gij) warmetwarmde; (gij) warmdet
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
warmwarmt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
warmend(e)gewarmd

Examples:

De vogel vloog lager en zeilde langs bruggen waar mensen lagen, ontheemd, zich warmend aan vuur van kranten.

En Simon Petrus stond en warmde zich.

Na een poosje toen ze zich gewarmd hadden, zeiden zij: "Kameraad, zullen we eens gaan kaarten?"

Om op te warmen zijn we in de hotelkamer lekker in bad gegaan.

Waardoor warmt de aarde op?