The conjugation of the verb ruiken

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) ruik(ik) rook
(jij) ruikt; ruik (jij)(jij) rook
(hij) ruikt(hij) rook
(wij) ruiken(wij) roken
(gij) ruikt(gij) rookt
(zij) ruiken(zij) roken
Aanvoegende wijs
(ik) ruike
(jij) ruike
(hij) ruike
(wij) ruiken
(gij) ruiket
(zij) ruiken
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
ruikruikt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
ruikend(e)(hebben) geroken