The conjugation of the verb roepen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) roep(ik) riep
(jij) roept; roep (jij)(jij) riep
(hij) roept(hij) riep
(wij) roepen(wij) riepen
(gij) roept(gij) riept
(zij) roepen(zij) riepen
Aanvoegende wijs
(ik) roepe
(jij) roepe
(hij) roepe
(wij) roepen
(gij) roepet
(zij) roepen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
roeproept
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
roepend(e)(hebben1/zijn2) geroepen