roepen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) roep(ik) riep
(jij) roept; roep (jij)(jij) riep
(u) roept(u) riep
(gij) roept(gij) riept
(hij) roept(hij) riep
(wij) roepen(wij) riepen
(jullie) roepen(jullie) riepen
(zij) roepen(zij) riepen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
roeperiepe
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
roeproept
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
roepend(e)(hebben) geroepen