The conjugation of the verb rijzen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) rijs(ik) rees
(jij) rijst; rijs (jij)(jij) rees
(hij) rijst(hij) rees
(wij) rijzen(wij) rezen
(gij) rijst(gij) reest
(zij) rijzen(zij) rezen
Aanvoegende wijs
(ik) rijze
(jij) rijze
(hij) rijze
(wij) rijzen
(gij) rijzet
(zij) rijzen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
rijsrijst
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
rijzend(e)(zijn) gerezen