raden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) raad(ik) raadde, ried1
(jij) raadt; raad (jij)(jij) raadde, ried1
(u) raadt(u) raadde, ried1
(gij) raadt(gij) raaddet, riedt1
(hij) raadt(hij) raadde, ried1
(wij) raden(wij) raadden, rieden1
(jullie) raden(jullie) raadden, rieden1
(zij) raden(zij) raadden, rieden1
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
raderaadde, riede1
Gebiedende wijs
raad
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
radend(e)(hebben) geraden

1 This form is not used with the preposition naar.