The conjugation of the verb raden

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) raad(ik) raadde, ried
(jij) raadt; raad (jij)(jij) raadde, ried
(hij) raadt(hij) raadde, ried
(wij) raden(wij) raadden, rieden
(gij) raadt(gij) raaddet, riedt
(zij) raden(zij) raadden, rieden
Aanvoegende wijs
(ik) rade
(jij) rade
(hij) rade
(wij) raden
(gij) radet
(zij) raden
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
raadraadt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
radend(e)(hebben) geraden