nijgen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) nijg(ik) neeg
(jij) nijgt; nijg (jij)(jij) neeg
(u) nijgt(u) neeg
(gij) nijgt(gij) neegt
(hij) nijgt(hij) neeg
(wij) nijgen(wij) negen
(jullie) nijgen(jullie) negen
(zij) nijgen(zij) negen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
nijgenege
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
nijgnijgt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
nijgend(e)(hebben) genegen