mijden
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) mijd(ik) meed
(jij) mijdt; mijd (jij)(jij) meed
(u) mijdt(u) meed
(gij) mijdt(gij) meedt
(hij) mijdt(hij) meed
(wij) mijden(wij) meden
(jullie) mijden(jullie) meden
(zij) mijden(zij) meden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
mijdemede
Gebiedende wijs
mijd
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
mijdend(e)(hebben) gemeden