melken
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) melk(ik) molk*, melkte
(jij) melkt; melk (jij)(jij) molk*, melkte
(u) melkt(u) molk*, melkte
(gij) melkt(gij) molkt*, melktet
(hij) melkt(hij) molk*, melkte
(wij) melken(wij) molken*, melkten
(jullie) melken(jullie) molken*, melkten
(zij) melken(zij) molken*, melkten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
melkemolke*, melkte
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
melkmelkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
melkend(e)(hebben) gemolken

* This form is not used metaphorically.