malen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) maal(ik) maalde
(jij) maalt; maal (jij)(jij) maalde
(u) maalt(u) maalt
(gij) maalt(gij) maaldet
(hij) maalt(hij) maalde
(wij) malen(wij) maalden
(jullie) malen(jullie) maalden
(zij) malen(zij) maalden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
malemaalde
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
maalmaalt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
malend(e)(hebben) gemalen